
Uit het boek Vereniging Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat “Blijft gedenken” van 2003.
HET VERHAAL VAN A. VAN TILBURG, DESTIJDS WONENDE ST. IGNATIUSDIJK 1
Wij, vader, moeder en hun vijf kinderen, woonden destijds in het laatste huis op één na aan de Beijmoersedijk.
Achter ons huis met schuur lag het Lange Water met zijn rietkragen, en voor lag de smalle weg tegen de Beijmoersedijk, een slaperdijk.
Op de stormachtige avond van 31 januari 1953 gingen wij op een normale tijd naar bed. Vader en moeder en twee van mijn zusters sliepen beneden in de bedstees, waaronder de kelder was gelegen. Ik en nog twee anderen sliepen boven.
Om ongeveer vijf uur werden we wakker. Zij die beneden sliepen, maakten alarm. Het water liep in de kelder. Toen wij beneden kwamen, stond het water in de kamer. Rap pakten we wat spullen en brachten die naar boven. De tweede keer dat ik beneden kwam, was het water al tot mijn knieën gestegen en de derde keer tot aan mijn nek. Je pakte zomaar wat mee, het water steeg ontzettend vlug. Gelukkig zaten we uiteindelijk allemaal op zolder, met alleen ons ondergoed aan. We hoorden de drijvende stoelen, tafel, enz. tegen de zolder beuken.
Het gezin van Van Tilburg op het evacuatieadres bij oom Jan Luijks in de Maaipad.
V.l.n.r.: Riekus, Toos(met oogverwonding), vader van Tilburg (met hand in mitella), Jo, Cor, moeder van Tilburg; achteraan: Janus van Tilburg.
Vader wees ons er op, dat de muren naar buiten bewogen. Hij stak er zijn hand tussen en zijn pink kwam klem te zitten. Kort daarop ging het dak van het huis in elkaar. Wij kropen naar de schuurzolder, die evenwel vol hooi en stro zat, gooiden er wat van uit en kropen met zijn allen daar naartoe. Mijn zuster Toos was inmiddels gewond geraakt. Denkelijk had een plank met een spijker haar oog zodanig getroffen dat ze het oog voorgoed verloor.
Op een gegeven moment ging de zolder met hooi, stro en wijzelf drijven. Gelukkig in de richting van de dijk en strandde daar ook. Toen het licht werd zijn we van dit dakdeel op de dijk kunnen komen. Eerst ontmoetten wij daar vijf kinderen van het gezin Hoetelmans, later Geert Adriaansen, weer later Kees Roks.
Om ongeveer 10 uur kwam er een roeiboot aangevaren van schipper Schot, bijgenaamd ‘de bakker’, uit Tholen. Door hem werden wij, d.w.z. veertien personen, gered en naar de Konijnenberg gebracht. Vandaar zijn wij in de meisjesschool terecht gekomen. Hoe dat gebeurt is, te voet of per auto of busje, daar kan ik me totaal niets meer van herinneren. In de school, die ingericht was als opvangcentrum, kregen we hulp en kleding. We waren verkleumd door de kou.
Voorlopig kregen we onderdak bij oom Jan Luijks in de Maaipad. Daar allemaal slapen, was onmogelijk. Vader en moeder bleven ’s avonds daar en wij sliepen op de graanzolder van Jan Poulus in de Nieuwstraat. Van zakken graan was ‘een muur’ gebouwd ter hoogte van ongeveer een meter. Dit stelde de slaapkamermuur voor en wij sliepen op strozakken. Dit heeft zo enkele weken geduurd. Op het St. Maartenplein waren inmiddels enkele huizen voor bewoning klaargekomen en aan de bewoners toegezegd. De toekomstige bewoners van nr. 10 stonden spontaan hun huis aan ons af.
Toos is haar linker oog definitief kwijtgeraakt. Vader heeft zijn pink kunnen behouden. Van het ouderlijk huis was letterlijk niet meer overgebleven dan een puinhoop.
Later zijn wij van het St. Maartenplein verhuisd naar het huis aan de St. Ignatiusdijk (v/h Beijmoersedijk), waar ik nu nog woon. In die tijd ben ik getrouwd.
Vader was aan de overkant gaan bouwen op de plek waar ons huis had gestaan. In juli 1954 is hij, tengevolge van een aanrijding op de Tholenseweg, overleden.