
Meteen na de ramp van 1 februari 1953 was nog niet helemaal duidelijk hoeveel doden er in de gemeente Halsteren te betreuren waren. Elke dag na de ramp werden in de ondergelopen polders opnieuw slachtoffers gevonden. Vooral door de Franse genietroepen die met hun amfibievoertuigen (de ducks) haast overal konden komen.
De Franse soldaten hadden het er moeilijk mee. Wat ze in de polders aantroffen was, zo zeiden ze, ‘erger dan de oorlog’. ‘Beaucoup des victimes’, vertelden ze als ze weer uit de polders terugkwamen. Een Franse korporaal zat bij Vogelenzang een half uur lang tegen een muur te huilen. Als vader van twee kleine kinderen had hij net tevoren enkele dode kinderen uit het water gehaald.
Als een slachtoffer met de boot aan land werd gebracht, dan ging daar een deken over en brachten de soldaten die met een draagbaar naar de chapelle ardente. In het gemeentehuis werd vervolgens weer een naam op de lijst van vermisten doorgestreept.
De chapelle ardente was ingericht in een van de klaslokalen van de katholieke meisjesschool aan de Dorpsstraat te Halsteren. Met zwarte kleden langs de wanden, palmen in de hoek van het lokaal en een groot kruisbeeld aan de wand, zag dat er totaal anders uit dan een paar dagen tevoren toen de meisjes er nog les kregen.
Op het kerkhof achter de Sint Martiunuskerk te Halsteren werden bij elkaar tachtig graven gedolven. Nederlandse militairen voerden in razend tempo vanuit het hele land doodskisten aan naar de plaatsen die het ergst waren getroffen. Daaronder ook Halsteren en Lepelstraat.
Vanaf de chapelle ardente trokken de eerste weken na de ramp haast elke dag grote rouwstoeten door het dorp. Vooral door Halsteren en in mindere mate door Lepelstraat. Op weg naar de parochiekerken. Soms voor de uitvaartdienst van enkele slachtoffers. Regelmatig voor veel meer. Zo stonden bijvoorbeeld op 5 februari 1953 maar liefst zeventien kisten voor het altaar van de St.-Martinuskerk. In deze kerk en ook in die van de H. Antonius van Padua in Lepelstraat lieten familieleden en kennissen hun tranen de vrije loop. De pastoors kwam in al die missen haast woorden van troost tekort. In Halsteren was dat pastoor J. de Cock, in Lepelstraat pastoor W. van Gastel.


Bij de herdenking in 1918 vertelde Jan Somers dat hij na de ramp door pastoor Van Gastel, samen met Piet van Tillo op school uit de klas werd gehaald met de mededeling: “Meekomen, er moeten mensen worden begraven.” Somers en Van Tillo waren misdienaars in Lepelstraat. Ze renden dan naar de kerk, trokken hun superplie aan en namen wijwatervat en wijwaterkwast mee naar het kerkhof. Jan Somers, toen tien jaar, zag er voor het eerst dode mensen. Hij raakte er behoorlijk door van de kaart, want er waren ook kinderen bij die hij van school kende.
Veel mensen liepen in tal van rouwstoeten mee. Onder hen mevrouw J. Roks-Nefs, geëmigreerd naar het Canadese London (Ontario). Zij kwam juist in die periode per schip naar Nederland voor familiebezoek in Halsteren. Op de boot hoorde ze al van de ramp. Toen ze in Rotterdam op 7 februari door broers van haar man werd opgehaald, kreeg ze pas goed door welke tragedie de familie van beide kanten was overkomen. Vijf weken en elf begrafenissen later keerde ze terug naar Canada.


Herdenking
In beide kerken en op beide kerkhoven werden een jaar na de ramp, op 1 februari 1954, de slachtoffers van de watersnood herdacht met een requiemmis in de kerk en een plechtige bijeenkomst op de begraafplaats.
Prof. Willem Asselbergs, de bekende schrijver Anton van Duinkerken, zei in zijn herdenkingswoord: “Nog steeds plaatst de overdenking van de feitelijke toedracht van de ramp vele getroffenen voor het harde ‘waarom’. De diepe nood heeft echter de zin van de samenwerking leren verstaan. Geen volk leeft of het heeft spanningen, maar de strijd tegen het water brengt het tot een eenheid. Deze verbondenheid fluistert een zingende taal.”
Prins Bernhard bezocht na de ramp ook op tal van plaatsen het getroffen gebied. Hij richtte zich op 1 februari 1954 in zijn herdenkingsrede via de radio als volgt tot de nabestaanden: “Zij mogen zich gedragen weten door het medegevoel van het gehele volk. Misschien zijn zij gesterkt door de nationale saamhorigheid die wij na de ramp, precies als in de oorlogsjaren, weer hebben zien opbloeien.”