
Met touwen aan elkaar gebonden
Mensen van De Kladde hielden zich vast aan bomen op de dijk
In de vroege ochtend van 1 februari 1953 spoelde het water vanuit de Oosterschelde door de doorgebroken dijken met verwoestende kracht het gehucht De Kladde binnen. In de lagergelegen delen stond al snel tweeënhalve meter water. In het boek Blijft Gedenken, dat de Vereniging Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat in 2003 uitbracht, staan diverse verhalen van mensen uit de Kladde die zich deze ramp nog goed konden herinneren.

De Kladde, ook de Klad of Leemcladde genoemd, is een oud gehucht dat eeuwen geleden aan de weg lag van Bergen op Zoom naar Steenbergen. De naam Leemcladde duidt op de aanwezigheid van leem in de grond. De fabrikanten van aardewerk in Halsteren en Bergen op Zoom maakten daar in die tijd graag gebruik van.

De mensen op de Kladde hadden in de vroege ochtend van 1 februari 1953 aanvankelijk niet door dat het water al over de dijken kwam, dat dijken waren doorgebroken en dat een enorme massa water hun kant uit kwam. Louis van den Enden, die toen 24 jaar was en nog thuis woonde, kreeg ‘schelles’ van zijn moeder, zoals hij later vertelde in het boek Blijft Gedenken dat de Verenging Studiekring Halsteren-Lepelstraat publiceerde in 2003.
Water kwam snel
Moeder Van den Enden gaf zoon Louis een standje en zei tegen hem: “Maar Louis, wat heb je nou gedaan. De hele stal loopt onder water.” “Wat”, zei Louis, “ik heb toch gisteren die put leeggemaakt.” Meteen daarna beukte broer Toon met twee handen op de deur. Die riep: “Kom toch vlug, want we verdrinken allemaal.”
Mensen in de buurt gilden. Metershoge golven zetten de polders in een mum van tijd onder water. Hier en daar stond het al tweeënhalve meter hoog. Louis van den Enden plonsde meteen het kolkende water in om mensen in zijn omgeving te redden. Soms moest hij ze door een dakraam trekken. Een aantal buurtgenoten kon hij niet bereiken. Die verdronken jammerlijk toen hun huis na enige tijd niet bestand bleek tegen het woeste water. Net zo min als de weg, die diep werd uitgespoeld en waarvan de klinkers later in de polder werden teruggevonden.
Hulppost in café
Louis slaagde er wel in om anderen naar de dijk te brengen via een rij bomen achter de boerderij van Van den Enden, Daar was de stroming niet zo sterk. Met elkaar verbonden aan een touw, en dan van boom naar boom, kwamen deze mensen doornat bij de dijk aan.
Leo Adriaansen, een neef van Louis, hielp hem om de overlevenden naar café De Kladde te brengen. Daar werd ook direct hulp verleend. Nadat de Koeveringsedijk was doorgebroken, werd de sterke stroming bij de Kladde wat minder.

De Kladsedijk bleef bij de ramp boven water. Foto Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

Louis slaagde er ook hier en daar in om koeien en paarden uit ondergelopen stallen te halen. In totaal was hij zeven of acht uur bezig. Niet voortdurend, want af en toe had hij andere kleren nodig. Louis: “Want het was zo koud, hé. Ik trok kleren van mijn broer en van mijn vader aan. En zo ben ik de hele dag bezig geweest. Rond vier uur ’s middags hebben we de koeien gemolken en toen ben ik naar bed gegaan
Heel de Kladde werd geëvacueerd, maar Louis, zijn vader en broer bleven om voor het vee te zorgen. Zij bleven op hun boerderij, ofschoon ze al een plan maakten om met de dieren de Molenberg op te gaan als het water nog hoger zou komen. Dat was gelukkig niet het geval. Het verhaal van Louis van den Enden is illustratief voor wat de mensen op de Kladde toen hebben doorgemaakt.
Bellen op de trap
Willem Bastians, opzichter bij waterschap Het Westland, kreeg op de dag van de ramp ’s morgens om half zeven dijkgraaf Potters aan de telefoon. “Heel het Glymes staat onder water”, wist die te vertellen. Even later een telefoontje van zijn broer Jan Bastians van de Kladseweg. Of Willem hem en zijn gezin kon komen halen. “We staan helemaal onder water!” Op de vraag van Willem hoe hij dan kon bellen, was het antwoord: “Ik sta op de trap en kan nog net bij de telefoon.” Ook het verhaal van Willem Bastians staat uitgebreid in het boek Blijft Gedenken.
Bij de Kladde zag Willem hoe erg de situatie was. Diverse huizen waren ingestort. Een sluisdeur van tweeduizend kilo, die Willem en zijn broer hadden gerepareerd, was gewoon weggespoeld.
Al op maandag 2 februari kreeg Willem Bastians de opdracht de stroomgaten in diverse dijken dicht te maken. Het zand daarvoor werd aangevoerd bij de Groenendijk. Van daaruit ging het met paard en slee in kleine zandzakken naar de stroomgaten. Bij die gaten werden vanuit die kleine zakken grote zandzakken gevuld. Die waren namelijk bestand tegen het water dat nog met kracht door de gaten stroomde. Ruim vijftig mensen werkten hieraan mee. Een dag later was het gat in de Groenendijk al dicht. De andere gaten volgden snel daarna.Net als in andere plaatsen en buurtschappen die door de waternoodramp waren getroffen, duurde het hierna nog enige tijd voordat alle slachtoffers waren gebogen. En nog langer voordat het normale leven weer door kon gaan.